'Alleen zijn met je plantjes en je schoffel, dat is de grote stilte waarin wij graag werken'

20 maart 2024

Leuk en passend, dachten we, om de lente nou eens in te luiden met een interview met Karlijn, een van onze vier vaste krachten in de moestuin. Er valt per slot van rekening gemakkelijk méér over de magie van het werken met groenten en kruiden te vertellen dan we elk seizoen in de kortere bijdragen op dit blog doen.

Voordat Karlijn voor dit verhaal aanschuift eerst nog even over dat woord ‘magie’ dat we hierboven gebruikten. Is dat geen al te opgeblazen benaming voor wat de natuur op een bescheiden lapje tuingrond zoal tevoorschijn kan toveren? Nou nee. Tenminste zeker niet voor de beginnende huis-, tuin-en-keuken-kweker die ontdekt wat er allemaal bij het grootbrengen van een plukje peterselie en een willekeurige groentetje komt kijken.

De samenstelling van de zaaigrond, het afgepast houden van de hoeveelheden water die je je zaadjes moet geven, de plek waar je turfbakjes het meeste licht en dus warmte vangen, het uitdunnen en verspenen van de kiemen – je moet er uitgebreid de boeken of het internet voor induiken om een idee te krijgen hoeveel zorg en toewijding er een paar maanden lang van je worden verwacht.

En dan is er bovendien nog de bestemming die je voor elk plantje moet zien te vinden. Een beetje vensterbank, kasje, balkon of stadstuin is al gauw veel te klein voor al die verschillende kolen, slasoorten en uien die zich met de start van een kweekhobby ineens om je aandacht gaan vragen. De buurman, familieleden, de organisatoren van de stekjesmarkt om de hoek, de volkstuinvereniging een eindje verderop – allicht dat je uiteindelijk de boer op zal moeten met je karrenvracht aan potjes en bakjes.

Aaahhh, jonge sla...

Allemaal de schuld van die ‘magie’ uiteraard, want wat is er nou wonderlijker, ontroerender en spannender dan de aanblik van dat eerste bleke, bibberige sprietje dat zich aan de bruine potaarde heeft ontworsteld? Rutger Kopland refereerde er al aan in zijn beroemde gedicht ‘Jonge sla’ uit de bundel Alles op de fiets (1970):

Alles kan ik verdragen,


het verdorren van bonen,


stervende bloemen,

het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen


zien rooien, daar ben ik


werkelijk hard in.




Maar jonge sla in september,


net geplant, slap nog,


in vochtige bedjes, nee.

 

Een droom kwam uit

Karlijn kende Koplands gedicht nog niet, maar ze begrijpt de ontboezeming onmiddellijk. Ze is dan ook nog net zo onder de indruk van de magie van het moestuinieren als toen ze er jaren geleden, samen met een vriendin, voor hun eigen plezier mee begon. De liefhebberij kreeg haar ook zo te pakken dat ze er op haar 39ste haar carrière als ontwerpster voor opgaf. Na een reeks tuinbouwcursussen en ervaringstrajecten bij commerciële teeltbedrijven kon ze drie jaar geleden met een vaste aanstelling aan de slag in de tuin van Villa Augustus. Er kwam een droom mee uit.

Met collega Kate

Het is toch de natuur, hè

–   Dit verhaal begon met de vaststelling dat het nog helemaal niet zo eenvoudig is, het instandhouden van een moestuin(tje). Kan het werk jou nog altijd verbazen?

Karlijn: ‘Ja, voor mijn collega’s en mij blijft het ook vaak genoeg nog een raadsel waarom het ene zaadje wél en het andere niet ontspruit. Met zulke onzekerheden moet je in ons werk wel leren leven. Het is toch natuur, hè. Elk gewas vraagt bij de kweek om zijn eigen specifieke ideale omstandigheden als het bijvoorbeeld gaat om het juiste grondmengsel, de bewatering,  de standplaats, bemesting en de insectenbestrijding. En dan heb je nóg de garantie niet dat het met de teelt ook uitpakt zoals je in gedachten had. Je krijgt vaak genoeg met teleurstellingen te maken.’

–   Ook niet eenvoudig: je moet zonder moeite heel veel kiemen kunnen weggooien omdat alleen de sterkste recht op groei hebben.

 ‘Klopt. Van de vijftig zaailingen wil je er één overhouden. Dat blijft best pijn doen.’

 –   Neem je zulke ervaringen ’s avonds ook mee naar huis? In de zin dat je er ook slapeloze nachten van kunt hebben?

 (Lacht) ‘Nou, dat dan weer niet. Tegenwoordig in elk geval niet meer. Al kan ik nog wel eens wakker schieten van de vraag of ik de kraan in de tuin nou echt heb dichtgedraaid.’

 –   Je werkt al vier dagen per week in de moestuin van Villa Augustus, maar hebt er in Dordrecht sinds kort dan nog een privé-moestuin bij. Het is voor jou dus ook niet gauw druk en inspannend genoeg.

‘Ik ben heel graag buiten, ook in mijn vrijetijd. Maar in mijn eigen moestuin houd ik het dan wel simpel. Pompoenen, wat uitjes en andere gewassen voor rauwkost. Geen tomaten, die zijn weer veel te arbeidsintensief. Alles bij elkaar genoeg om het leuk en overzichtelijk te houden. Om te weten wat we voor de keuken van Villa Augustus telen, proeven we thuis ook eerst alles. Dus dan hoef ik privé ook nog niet eens met een overdaad aan groenten uit eigen tuin te zitten. (Lacht) Er is een grens aan de hoeveelheid courgettes die je op kunt, hè.’

 Doeners die graag in stilte werken

–   Is de (amateur)moestuinier een bepaald mensentype, denk je? Bezit hij of zij eigenschappen die een ander niet of minder heeft?

‘Hoehh, lastige vraag. Ik vermoed dat we het niet erg vinden om vies te worden. En we zijn doeners. Introverte persoonlijkheden ook? Nou, voor mijzelf geldt dat ik wel aan dat beeld voldoe. Heel generalistisch gesproken zou je waarschijnlijk kunnen zeggen dat moestuiniers graag in stilte werken, en graag alleen willen zijn met hun zaden, hun plantjes en hun schoffel. We zijn niet zo van de grotemensenmassa, met andere woorden. 

‘In die stilte voltrekt zich je bewustwording van de groeiprocessen in de natuur, en de tijd en moeite die het vergt voordat je lekker en gezond eten op je bord hebt. Goed, dat besef heeft misschien wel iets dromerigs en filosofisch. Maar hé, je hebt ook nog genoeg volkstuinders en beroepskwekers die jaar in, jaar uit aardappelen en sperziebonen telen en totaal niet met dat soort dingen bezig zijn. Wat voor mij dan ook nog heel erg telt, is de schoonheid van een tuin. Dat blijft de designer in mij. Ik kan wat dat betreft in Villa Augustus immens genieten.’

–   De markt van Villa Augustus, maar ook de winkels van onder meer de Wiltfang, Manufactum en Vreeken in Dordrecht zijn een walhalla voor moestuinders. Al die mooie, sjieke spullen die het noeste werk in de tuin veraangenamen. Ben je er gevoelig voor? 

(Lacht) ‘Dat was ik ooit  wel. Naar een moestuinbeurs gaan en dan veel meer zaadjes kopen dan je nodig had. Zaadjes van bijzondere rassen, in papieren zakjes met strikjes eromheen, ja prachtig. Mooie gereedschappen ook. Je kunt het in je uitrusting zo gek maken als je wil. Maar linke soep voor mij. 

‘Ik houd het dit seizoen op een nieuwe, klassieke tuinbroek, zo’n echte met van die kniestukken, en in de kleur die bij me past. Van een vriendin heb ik onlangs dan nog een opvouwbare, katoenen hoed cadeau gekregen. Die is ook echt nodig om je enigszins tegen de felle zon te beschermen.’

 –   Over fysieke ongemakken gesproken: je was er een poosje uit vanwege een beroepsblessure.

‘Inderdaad, mijn schouder. Niet heel heftig, maar het duurde wel een tijdje voordat ik hem weer optimaal kon gebruiken. Te veel repetitief werk verricht, en met een verkeerde houding. Een wijze les. Ik spreid mijn taken nu beter. En ik doe aan bootcamp om sterk en fit te blijven. Je voelt ’s avonds niettemin heus wel dat je fysiek zwaar werk verricht. Het lijkt in niets op een kantoorbaan. Dat is een grote omslag voor me geweest toen ik van de ene op de andere dag definitief voor het moestuinieren koos.’